maandag 9 september 2013

Einstein een socialist of communist ?



Waarom Socialisme?
Deze vraag is in de geschiedenis natuurlijk heel vaak gesteld door economen en vele wetenschappers hebben geprobeerd hierop een antwoord te geven. Verrassend genoeg heeft ook het natuurkundig genie Albert Einstein zich deze vraag gesteld en beantwoordt in een essay dat gepubliceerd is in het tijdschrift “Monthly Review” (mei 1949)*. Hij was toen al wereldberoemd vanwege zijn Nobelprijs voor de Natuurkunde en leefde in de VS (Princeton University). Hij was naar de VS uitgeweken , op de vlucht voor de Nazi’s, omdat hij Jood was. Toch was het in die jaren ook riskant voor Einstein om zich uit te laten over communisme of socialisme die vaak op een hoop gegooid werden. Zo kennen we allemaal de communistenvervolging door senator McCarthy en zijn commissie tot midden jaren 50 (Koude Oorlog).



Interessant is het daarom des te meer om te lezen hoe en waarmee Einstein zijn betoog opbouwt, al is hij natuurlijk geen (politiek) econoom. In veel opzichten was hij controversieel en niet alleen op zijn eigen wetenschapsgebied. Hij heeft ook politieke en religieuze uitspraken gedaan die toch op zijn minst uitzonderlijk waren. Illustratief hiervoor is een brief aan de Amerikaanse regering met daarin suggesties over hoe de VS om zouden moeten gaan met “buitenaardse beschavingen” mochten deze de aarde bezoeken**. Einstein beweerde, door bronnen uit militaire kringen, dat die contacten er al waren.

Het moet voor moderne socialisten een geweldige steun in de rug zijn om te weten dat juist Einstein, deze erudiete en vermaarde wetenschapper, hun kant heeft gekozen. Voor wie verwacht dat Einstein ingewikkelde formules, abstracte complexe theorieën of cijferreeksen zal gebruiken is er goed nieuws. Zijn betoog is verbazingwekkend eenvoudig en gelukkig voor iedereen te begrijpen.

Nu naar de inhoudelijke argumentatie.
Einstein begint met aan te geven dat de economische wetenschap niet zo exact is als de natuurwetenschappen en dat er daarvoor teveel invloedsfactoren zijn. De voorapellende waarde is daarom zeer beperkt (hetgeen ook wel gebleken is).
Tegenwoordig wordt de economie daarom ook ingedeeld bij de sociale of gedragswetenschappen.
Socialisme is, volgens Einstein, gericht op een ethisch-sociaal doel en wetenschap kan helaas geen doelen realiseren. Wetenschap kan op zijn best wel de middelen verschaffen om bepaalde doelen te bereiken”. Einstein relativeert hiermee in sterke mate het belang van de economische wetenschap. Als het gaat om menselijke problemen, zoals de organisatie van de samenleving moeten we niet alleen de experts geloven.

Einstein formuleert als axioma dat de mens tegelijkertijd een alleenstaand (solitary) alsook een sociaal wezen is. Als alleenstaand wezen beschermt hij zijn eigen bestaan en dat van zijn naasten. Als sociaal wezen zoekt hij genegenheid en erkenning bij zijn medemensen. Dit zijn twee oerdriften. De samenleving(society) verschaft de mens voedsel, kleding, een thuis, gereedschap en cultuur. Zijn leven is mogelijk gemaakt door het werk en de inspanningen van vele millioenen uit het verleden en heden. De mens is dus afhankelijk van de samenleving en dat geldt als een natuurlijk gegeven.
Einstein realiseert zich ook dat een grote mate van arbeidsverdeling (dus geen zelfvoorzienende economie) en gecentraliseerde productiemiddelen noodzakelijk zijn. Hij onderschrijft ook het feit dat er zelfs sprake is van een mondiale economie.

In het essay gaat Einstein verder met het aanduiden van de essentie van de toenmalige morele crisis, namelijk dat wat toendertijd “het sociale vraagstuk” werd genoemd. In de samenleving wordt de mens alleen aangesproken in zijn egoïstische driften en verkommeren zijn sociale driften. Volgens Einstein kan de mensheid alleen zin of betekenis in het leven vinden als men zich met toewijding inzet voor de samenleving.
De economische anarchie van de kapitalistische samenleving in zijn tijd was de ware bron van het kwaad. Het is belangrijk om je te realiseren dat de productiemiddelen alsook de kapitaalgoederen voor het grootste deel particulier (privé-) eigendom waren. De eigenaar van de productiemiddelen verkeert in de (luxe)positie dat hij de arbeidskracht kan “kopen” en dan ook de voortbrengselen van diens arbeid (lees goederen of consumentenartikelen) weer tot zijn eigendom rekende. Belangrijk hierbij is ook de verhouding tussen de waarde van zijn geleverde arbeid in de zin van goederen en de betaling voor die arbeid (loon). De kapitalist betaalt niet voor de waarde van de geleverde productie, maar naar de minimum maatstaven en afhankelijk van de druk op de arbeidsmarkt.
Daarnaast is het zo dat het privé kapitaal van deze entrepreneurs de neiging heeft zich steeds verder te concentreren in steeds minder handen. Concurrentie, technologie en schaalvergroting zijn daar debet aan. Hierdoor ontstaat een oligarchie (de macht en kapitaal liggen in handen van een kleine groep). Dit kan ook niet goed gecontroleerd worden door een democratische, politieke samenleving. Einstein gaat nog verder door te stellen dat deze kapitalisten , direct en indirect de belangrijkste bronnen van informatie zoals pers, media en onderwijs controleren ten koste van de politiek bewuste burger.
Het winstmotief is verantwoordelijk voor de economische instabiliteit en leidt onherroepelijk tot toenemende ernstige economische en financiële crises. Onbegrensde concurrentie leidt tot een enorme verspilling van arbeid (en energie en grondstoffen) en dus toenemend egoïsme.

Einstein zag maar een oplossing voor al deze kwalen en dat was de realisatie van een socialistische economie, vergezeld van een onderwijssysteem dat gericht is op sociale doelen.
In een socialistische economie zijn de productiemiddelen in handen(eigendom) van de gehele samenleving en dienen gebruikt te worden op een bewust geplande manier. Dat is in de vorm van een planeconomie waarbij de productie afgestemd is op de behoeften van de mensheid en waarbij het werk verdeeld wordt over alle mensen die in staat zijn om te werken en een levensonderhoud garandeert voor iedere man, vrouw en kind”.
Aanvullend stelt Einstein is het nodig dat we ons realiseren dat een planeconomie nog geen socialisme is, want een planeconomie kan ook vergezeld gaan van volledige slavernij van het individu. Zonder het te schrijven bedoelt hij waarschijnlijk het communisme in Rusland onder Stalin en het China van Mao. Hij wilde kennelijk ook niet dat de productiemiddelen in handen kwamen van de overheid, zoals bij het communisme het geval is en zoals aangegeven door Karl Marx en komt dicht bij het ideaal van Rudolf Steiner die stelde dat het eigendom van de produktiemiddelen in het geestesleven (public society) thuishoorde en dat het beheer ervan in handen van ondernemers en associaties gelegd moest worden.


Het welslagen van socialisme vereist de oplossing van enkele zeer moeilijke sociaal-politieke problemen, zoals vergaande centralisatie van economische macht en het voorkomen van een verspillende bureaucratie. Rudolf Steiner had hier ook oog voor en introduceerde daarom een nieuw soort planoverleg in de vorm van associaties. Regelmatig afstemming tussen de belangrijkste economische partijen van producenten, handelaren en consumenten is essentiiel om goede afspraken te maken over hoeveelheden, prijzen en kwaliteiten.
Hiermee laat Einstein blijken dat hij bescheiden is en ook geen konijn uit de hoge hoed kan toveren die een panacee is voor alle problemen. Hij heeft geen kant-en-klaar model of blauwdruk maar slechts een richting en dat is die van een socialistische economie.
Die uitdaging ligt er dus nog steeds. Hoe realiseren we een socialistische economie??

* Lees het hele Engelse essay http://monthlyreview.org/2009/05/01/why-socialism
** http://www.majesticdocuments.com/pdf/oppenheimer_einstein.pdf (Einstein over Ufo's)

donderdag 29 augustus 2013

Boekbespreking Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap











































Op zondag 22 september heeft Arjan Nijeboer zijn nieuwe boek “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap” (uitgeverij Nearchus) gepresenteerd en ingeleid in De Lepelaar, Molenpad 2 te Jisp (NH).

De ondertitel luidt: "De financiële crisis: een alternatieve kijk"

Hoe ontstond de huidige financiële crisis en hoe voorkomen we een nieuwe? Met behulp van de sociale, maatschappelijke driegeleding laat Arjen Nijeboer zien dat de crisis is veroorzaakt door veel diepere maatschappelijke structuren dan doorgaans wordt aangenomen. Onze economie genereert een structureel geldoverschot dat om verschillende redenen geschonken zou moeten worden aan het cultuurleven. Dat gebeurt niet: in plaats daarvan wordt het geldoverschot opgezogen door zaken die eigenlijk niet verhandeld zouden mogen worden, vooral onroerend goed en bedrijfskapitaal. Hierdoor ontstaan financiële bubbels die vroeger of later uit elkaar spatten en daarbij veel schade aanrichten. De manier waarop staten en centrale banken hierop reageren, maakt de problemen op langere termijn vaak juist erger. Nijeboer laat zien hoe deze processen werken en leidt een aantal fundamentele oplossingen af.
In het eerste deel schetst dit boek de belangrijkste inzichten uit de sociale driegeleding, de maatschappij-inrichting van Rudolf Steiner die streeft naar vrijheid in het cultuurleven, gelijkheid in het rechtsleven en broederschap in de economie. Het tweede deel gaat in op een aantal hedendaagse verschijnselen, waaronder de financiële crisis, de euro, de Europese Unie en de vrijheid van meningsuiting.


De titel is allesbehalve origineel, want er zijn wel tien andere boeken te vinden met een gelijksoortige titel. De inhoud is echter wel bijzonder inspirerend.

Een voorproefje van dat boek is onderstaand stuk:
“De financiële crisis en de driegeleding.
‘Hoe kan de huidige wereldwijde financiële crisis worden begrepen en hoe voorkomen we een nieuwe crisis? Arjen Nijeboer neemt deel aan een economiewerkgroep in Antwerpen, die deze en andere vragen vanuit de sociale driegeleding probeert te beantwoorden. De crisis wordt veroorzaakt door veel diepere structuren in onze samenleving dan doorgaans wordt aangenomen. In twee afleveringen beschrijft de auteur een samenvatting van inzichten tot zover.

In het hart van de Nationalökonomischer Kurs (GA 340) bevinden zich enkele merkwaardige tekeningen die Rudolf Steiners idee van de economische kringloop weergeven. Deze tekeningen laten onder meer zien hoe volgens Steiner in een gezonde economie de geldstromen moeten lopen. Hij onderscheidt er drie fundamenteel verschillende.

Ten eerste het koopgeld, dat we gebruiken om datgene te kopen waaraan we behoefte hebben. Ten tweede het leengeld, dat vooral gebruikt wordt om nieuwe economische initiatieven tijdelijk te financieren. Het leengeld is eigenlijk een overschot aan koopgeld. Dat geld dat we niet nodig hebben om waren van te kopen, kunnen we gebruiken om te lenen aan mensen die daarmee iets zinnigs doen. Koopgeld en leengeld kent iedereen; ze zijn stevig in de huidige samenleving verankerd. Maar volgens Steiner is het voor de instandhouding van de economie absoluut cruciaal dat er nog een derde geldstroom moet zijn: het schenkgeld. Net zoals het leengeld uit een koopgeldoverschot bestaat, is het schenkgeld tegelijk een leengeld-overschot. Het leengeld moet overgaan in schenkgeld op straffe van instorting van de samenleving.


Waarom is dat zo? In het geestesleven worden zaken voortgebracht die op termijn cruciaal zijn om de economie verder te laten draaien, maar die niet of moeilijk in functie van de vraag te produceren zijn. Neem twee kernonderdelen van het geestesleven: opvoeding en onderwijs. De economie kan alleen op hetzelfde niveau blijven draaien als er steeds weer nieuwe generaties werknemers worden geboren, opgevoed en opgeleid. Dat neemt tijd weg die niet aan de economische productie kan worden besteed.

Het is bovendien vooraf niet te voorspellen wat een nieuwe generatie aan talenten en impulsen met zich meebrengt. Er is van de kant van opvoeders en leraren inzicht en kunde nodig om mensen tot ontwikkeling te brengen. Hiervoor is vrijheid noodzakelijk. Dat maakt het logisch om geld te schenken aan het geestesleven, dat het naar eigen inzicht kan besteden om nieuwe geest in de samenleving te laten binnenvloeien.

Wat gebeurt er volgens Steiner als het schenkgeld niet, of op een verwrongen manier, wordt geregeld? Dan zal geld zich ophopen in het leencircuit en zal het zich van daaruit – op zoek naar rendement – hechten aan oneigenlijke zaken. Steiner noemt hierbij vooral de grond als doelwit. Overtollig leengeld zou worden ‘opgezogen’ door de grond, wat naar steeds hogere grondprijzen zou leiden. Waarom is dit oneigenlijk? Omdat grond niet verhandeld zou mogen worden. Grond is nooit geproduceerd door mensen. Het kan ook nauwelijks in functie van de vraag worden bijgemaakt. Toen Adam en Eva op aarde rondliepen, was de grond van niemand in het bijzonder. De eerste eigenaar heeft er vanuit het niets een hek omheen gezet en ging geld eisen van degenen die de grond tijdens of na hem wilden gebruiken. Hier is sprake van een prestatie (door de koper) zonder tegenprestatie (van de verkoper), een situatie die in een gezonde economie eigenlijk niet zou mogen bestaan. Grond zou dus niet verhandeld moeten worden, maar beheerd door een neutrale instantie die, tegen een minimale onkostenvergoeding, de grond toewijst aan degenen die het nodig hebben. Gebeurt dat niet, dan zuigt de grond als het ware geld aan dat eigenlijk op een andere plaats werkzaam hoort te zijn.

Het ontstaan van de crisis

Het opzuigen van overtollig leengeld door de grond is nu precies wat in de aanloop naar de financiële crisis is gebeurd. In een beroemde lezing in 2005 waarschuwde Ben Bernanke, de huidige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, voor wat hij noemde de global saving glut, het wereldwijde spaaroverschot. Wereldwijd had zich een wolk spaargeld opgebouwd die de mogelijkheden voor productieve investeringen verre overstegen. De totale geldwolk – de spaarquote – bedroeg volgens IMF-cijfers circa een kwart van de omvang van de wereldeconomie (het wereldwijde “BNP”) die in 2007 omstreeks 65.000 miljard dollar bedroeg. Er was, kortom, leengeld te veel. Omdat banken het niet konden uitlenen aan bedrijven voor productieve investeringen – bedrijven zagen daarvoor geen mogelijkheid –zijn de banken het maar gaan uitlenen voor consumptieve doeleinden aan partijen die eigenlijk niet kredietwaardig waren.

In de eerste plaats is het leengeldoverschot gaan zitten in de financiering van onroerend goed. Arme Amerikanen die zich tot dan nooit een hypotheek konden veroorloven, konden dat nu opeens wel – de zogeheten sub-prime hypotheken. De banken hadden de voorwaarden enorm versoepeld om het overtollige leengeld maar kwijt te raken. En doordat de rentes onder invloed van het grote geldaanbod fors waren gedaald, konden arme Amerikanen opeens tophypotheken betalen. Mensen gingen massaal speculeren met onroerend goed, wat de prijzen nog verder deed stijgen, nog meer overtollig leengeld aantrok, nog meer speculanten aantrok, enzovoort. Iedereen had dollartekens in de ogen staan en men dacht dat het nooit mis kon gaan.

Saillant genoeg gebeurde dit alles mede op aandringen van de Amerikaanse overheid, die zich garant had gesteld voor deze subprime hypotheken. Het idee was dat elke Amerikaan de zegeningen van het kapitalisme moest ervaren door het bezit van een “kapitaaltje dat voor je kan werken”. Het idee was dus dat iedereen een eigen huis moest bezitten, ook al kon men dat zich niet veroorloven. Onder invloed van al dit geweld stegen de prijzen van onroerend goed enorm, wat vooral lijkt te worden veroorzaakt door de prijsstijgingen van de onderliggende grond. Zo stegen de prijzen van kale bouwgrond in Groot-Brittannië van 1983 tot 2003 met maar liefst 800 procent.

Economische ondoorzichtigheid

De Amerikaanse hypotheekmarkt werkte als een soort piramidespel dat niet anders kon dan, vroeg of laat, instorten. Dat gebeurde zoals bekend in de zomer van 2007. Maar hoe kan het dat de financiële crisis zich zo verspreidde, buiten het westen van de Verenigde Staten, tot over de hele wereld?

In essentie is dat de ondoorzichtigheid van zowel de financiële als de reële economie. In zijn drieslag van economie, rechtsleven en geestesleven deelde Steiner de financiële instellingen expliciet in bij de economie. En voor de economie als geheel bepleitte Steiner een associatieve organisatievorm, waarbij samenwerking op basis van transparantie voor alle belanghebbenden vooropstaat. Maar, net als andere bedrijven, beconcurreren financiële instellingen elkaar juist in de huidige situatie en ze geven elkaar en andere belanghebbenden zo weinig mogelijk informatie omtrent de interne stand van zaken. Ook helpen ze elkaar niet bij het ophouden van de eigen broek, maar laten ze financieel reddingswerk over aan de staat.

Global saving rate

De banken hadden de sub-prime hypotheken opgeknipt, herverpakt in zogenaamde “complexe obligaties” en doorverkocht aan banken wereldwijd, de zogeheten securitisaties(afgeleid van “veiligheid”, omdat zo risico’s werden doorverkocht en/of gespreid). Via de securitisatie waren de slechte Amerikaanse hypotheken onderdeel geworden van allerlei financiële ‘producten’ die in bezit waren van banken wereldwijd.

De crisis had eenvoudig lokaal gehouden kunnen worden als alle banken op dat moment de boeken voor iedereen open hadden gegooid. Maar in plaats van voor die transparantie te zorgen en de crisis daarmee tot een lokaal fenomeen te beperken, hielden de internationale banken de boeken ferm gesloten en verklaarden ze allemaal dat bij hén geen rommel zat. Dat kon niet waar zijn, maar niemand wist wie er precies loog. Banken vertrouwden elkaar niet meer en het voor het financiële reilen en zeilen zo belangrijke interbancaire leenverkeer kwam tot stilstand. De hele kredietverlening aan elkaar en aan de bedrijven stokte en de wereldwijde financiële crisis was een feit.


Wederzijds supportsysteem

Overal ter wereld stortten duizenden banken in. Alleen in de Verenigde Staten al vielen 465 banken om. Maar ook werd een groot aantal banken gered, niet door het financiële systeem zelf, maar door de staat. In ons bestel springt de staat in laatste instantie als redder in nood bij: via het depositogarantiestelsel, door banken te nationaliseren, door slechte financiële producten op te kopen, enzovoort. Op deze manier namen de staten in feite oninbare schulden van de banken over, maar omdat de staten dat geld niet hebben moesten ze het van quasi diezelfde banken weer lenen (tegen rente). Zo liepen de staatsschulden – die in het Westen toch al hoog waren – verder op, tot het moment dat ook Europese staten in acute problemen kwamen. Geen private partij was nog bereid om tegen een betaalbaar rentepercentage aan hen te lenen.

Steiner meende dat de gehele gelduitgifte en geldcirculatie uit handen van de staat moet worden genomen en in handen van het associatieve economische leven moet worden gegeven. Financiële bedrijven moeten net als andere bedrijven hun eigen broek ophouden, waarbij ze een wederzijds supportsysteem kunnen instellen door risico’s onderling te verzekeren. Zo bepleit Peter Blom, CEO van de Triodos Bank, het omruilen van het huidige depositogarantiestelsel (waarbij de staat garant staat) voor een echte onderlinge bankenverzekering, waarbij banken die meer risico’s lopen ook een hogere premie betalen in een gezamenlijk fonds.

Maar dat de staat en dus de belastingbetaler opdraait voor privaatrechtelijke schulden, terwijl de staat het benodigde geld bij quasi diezelfde schuldeisers moet lenen, is weinig rationeel en past helemaal niet bij het karakter van de politieke democratie. De democratische rechtsstaat is allereerst daar om wederzijdse rechten en plichten te bediscussiëren, vast te stellen en de uitvoering en naleving ter hand te nemen. Private (financiële of andere) risico’s moeten privaat verzekerd worden en niet op het bordje van de staat belanden. De economie moet, kortom, de eigen broek op houden.

Staatsschulden

Terwijl het eerste deel van de wereldwijde financiële crisis dus in Amerika ontstond, sloeg de crisis vooral in Europa over op de staten, omdat de staten op allerlei manieren de oninbare schulden van private banken overnamen en zo zelf in de problemen kwamen. Zo kwamen we in deel twee van de financiële crisis: de staatsschuldencrisis. Naast het overnemen van schulden liepen door de economische crisis de belastinginkomsten terug, wat het begrotingstekort weer extra deed toenemen. Door de crisis is er minimaal 80 miljard euro bij de staatsschuld gekomen waardoor de teller voor Nederland inmiddels op 428 miljard staat. De Amerikaanse staatsschuld bedraagt zelfs omstreeks 12.000 miljard dollar, ofwel bijna een vijfde van de omvang van de hele jaarlijkse wereldeconomie. Overal in het Westen nemen de staatsschulden sinds de jaren ’70, toen de moderne verzorgingsstaat ontstond, alleen maar toe. In economisch voorspoedige tijden stopt de stijging soms even, maar dalen doet ze vrijwel nooit. Geen werelddeel heeft zulke hoge staatsschulden, ook als percentage van het BNP, als het rijke Westen.

Hoewel de crisis dus een nog snellere stijging van de staatsschuld betekende, waren de staatsschulden overal in het Westen al hoog. Wat is de fundamentele reden hiervoor? Waarom kunnen staten hun taken niet eenvoudig uit de belasting-opbrengsten financieren?

Het antwoord luidt dat de staat eenvoudig teveel taken op zich heeft genomen. Rudolf Steiner eiste de instelling van een van de staat onafhankelijk geestesleven, waaronder o.a. opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg, wetenschap, de kunsten en religie zouden vallen. Veel van die taken – vooral die op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en cultuur –zijn echter min of meer geannexeerd door de staat. Ze vallen onder de financiële eindverantwoordelijkheid van de staat en het gezegde “wie betaalt, bepaalt” gaat hier helaas op. De staat geeft de richtlijnen waarmee het onderwijs en de gezondheidszorg dienen te werken, en hoewel het vrije geestesleven op andere terreinen een hoge vlucht heeft genomen (denk aan het internet) zijn onderwijs en gezondheidszorg terreinen die steeds meer in de knel komen.

Een ruwe becijfering door ondergetekende van de taken die de staat ten onrechte heeft, komt in budgettair opzicht op 81 procent. Dus 81 procent van de huidige overheidsbegroting – die in 2012 260 miljard euro bedraagt – zijn uitgaven die in feite binnen het geestesleven vallen. Als de staat taken ter waarde van 211 miljard euro afstoot, dan kunnen de belastingen ook met ditzelfde bedrag worden verminderd. Dan houden bedrijven, andere organisaties en burgers met elkaar jaarlijks 211miljard euro over, die via wegen die ik in deel 2 van dit artikel zal schetsen in het septembernummer van Motief (nr. 175), aan het geestesleven geschonken zou kunnen worden. Dit geld wordt nu op onterechte manier via de staat omgeleid, doordat deze enerzijds schulden maakt (terwijl ze dat als democratische rechtsgemeenschap eigenlijk niet mag) en anderzijds geld omleidt naar het geestesleven onder voorwaarde dat men dan wel doet wat de staat eist. Dit verlamt het geestesleven.

De eurocrisis

Een aantal vooral Zuid-Europese staten kwam in acute problemen, omdat private financiële instellingen wegens de te hoog oplopende staatsschulden geen geld meer wilden uitlenen tegen een betaalbare rente. Maar waardoor is dit probleem op zijn beurt weer overgeslagen naar de rest van Europa? Het antwoord is: de euro, die er om verschillende redenen onterecht is; onterecht, omdat ze van politieke aard is.

Volgens Rudolf Steiner zou de gehele geldschepping en geldcirculatie in handen van associatieve economische instellingen (banken) moeten liggen, die geheel los van de staat opereren. De munt is iets van, voor en door de economie. De euro is daarvan zo’n beetje het tegendeel: het is een door en door politieke constructie die ingaat tegen elke economische ratio. Zo tekenden in de jaren ’90 in Duitsland en Nederland honderden topeconomen petities tegen de euro, waarbij ze wezen op allerlei economische nadelen en stelden dat zulke verschillende economieën als de Noord-Europese en Zuid-Europese geen gemeenschappelijke munteenheid kunnen hebben. Door de invoering van de euro is het bijvoorbeeld niet meer mogelijk om monetaire instrumenten als rentestanden en geld hoeveelheden lokaal toe te passen. Ze zijn alleen Europawijd bij te stellen, terwijl lokale economische omstandigheden vaak om heel ander ingrijpen vragen. De euro is er gekomen om politieke redenen: de Europese politici wilden onder andere iedereen een zichtbaar teken van de Europese eenheid in handen geven, en politiek kunnen opboksen tegen de Amerikanen en Chinezen.

Door de euro is het Griekse en Cypriotische probleem – en potentieel het Italiaanse en Spaanse probleem – ook ons probleem geworden. Een val van de euro zou ons op korte termijn allen treffen en Europawijd duizenden miljarden euro’s kosten.

In dit (te) korte bestek hebben we een aantal basisproblemen van onze huidige maatschappij geïdentificeerd als de eigenlijke veroorzakers van de financiële crisis. Als deze niet opgelost worden, kan de crisis nu mogelijk tijdelijk wijken, maar zullen crises van deze omvang ons steeds meer gaan treffen omdat veel korte-termijn-oplossingen de fundamentele problemen niet oplossen (maar soms zelfs juist verergeren). Deze zijn het feit dat er teveel geld – dat eigenlijk schenkgeld had moeten zijn – in het leencircuit blijft hangen; het gegeven dat grond privaat verhandeld wordt alsof het een waar is; het verschijnsel dat staten staatsschulden moeten aangaan om taken te financieren die eigenlijk bij het vrije geestesleven horen te liggen; en in het algemeen de ondoorzichtigheid en het ontbreken van de juiste (associatieve) samenwerkingsverbanden in de economie. Deze zaken behoren alle tot het ABC van Rudolf Steiners sociale driegeleding; worden deze problemen niet op de juiste wijze verholpen, dan zullen crises zoals de huidige ons waarschijnlijk blijven treffen.

Maar er is ook goed nieuws: geld voor het geestesleven is er in werkelijkheid meer dan genoeg. Misschien zelfs teveel. De vraag hoe een economisch correct schenkgeldsysteem kan worden vormgegeven is een interessante en omvangrijkere vraag op zichzelf, die blijft liggen tot een volgende gelegenheid”.


Korte bespreking.


Persoonlijk vind ik het zeer bewonderenswaardig dat Nijeboer de ideeën van Rudolf Steiner m.b.t. de sociale of maatschappelijke driegeleding en Nationalökonomischer Kurs (cursus makro-economie) als uitgangspunt gebruikt voor een analyse van de huidige economische situatie.
Dat heb ik zelf ook in mijn boek “Trias Politica Ethica” geprobeerd en ook
in mijn nog uit te geven boek “Solidaire economie”.

Interessant zijn daarom ook een aantal resultaten die hij beschrijft zoals
een overschot aan leengeld dat niet rechtstreeks als schenkgeld in het
geestesleven(Onderwijs, Wetenschap, Kunsten Cultuur) terecht komt, maar
"oneigenlijk" gaat zitten in grond, kapitaalgoederen en bedrijven, terwijl dat geen economische goederen zouden mogen zijn. Dat is inderdaad een groot probleem.
Afgelopen week kwam ik erachter dat Albert Einstein in 1949 een essay heeft gepubliceerd met de titel "Why Socialism". Zelfs dit natuurkundige genie was ervan overtuigd dat het kapitalisme ons geen echte duurzame welvaart en welzijn zal brengen.

Het is mijns inziens daarom dat de overheid als "scheidsrechter en middelaar " optreedt om via belastingen het teveel aan geld(overwinst) weg te halen bij burgers en bedrijven en als subsidies schenkt aan het geestesleven.
Het Rijnland-kapitalisme met een sterke sociale wetgeving en een gereguleerd kapitalisme is succesvoller gebleken dan het Anglo-amerikaanse kapitalisme. Het onderzoek van D.Kalf Onafhankelijkheid voor Europa” uit 2004 heeft dat overtuigend bewezen.
Helaas is het daarom zeer ernstig dat rijke burgers en rijke bedrijven belasting ontduiken of ontwijken. Als dat geld wel via belastingen weer terug kan stromen naar de samenleving is de ellende van een armetierig cultureel maatschappelijk leven een stuk minder.
Wat er daarbij verkeerd gaat is dat de overheid zich het recht permitteert om dat schenkgeld te voorzien van restricties en voorwaarden aan onderwijs- en gezondheidszorginstellingen. Dat is eigenlijk onterecht. In het volgende artikel van Nijeboer in Motief "schenkgeld en het basisinkomen" pleit hij ervoor om een onvoorwaardelijk basisinkomen in te voeren en op die manier dit geld in te zetten als schenkgeld voor het geestesleven. Dankzij dit basisinkomen zullen, naar mijn mening, burgers minder uren gaan werken in de economie en meer tijd en energie steken in geestesleven en maatschappelijk leven. Ze gaan meer nadenken, zich creatief ontwikkelen, studeren, musiceren, vrijwilligerswerk en mantelzorg verrichten kortom een eigen missie volgen.

Een ander punt dat hij bespreekt is de geldschepping, geldcirculatie en ook de financiële instellingen die, volgens Rudolf Steiner, zouden behoren tot het economische gebied en in handen van de associatieve economie gelegd moeten worden.
Nu is geldschepping ook neergelegd in het economisch gebied, in handen van particuliere (private) banken, ook al noemen ze zich FED, Deutsche Bank en BIS. Dat betekent nu dat ook de overheid geld moet lenen bij deze instellingen en er dik voor moet betalen. Eerder dacht ik dat geldschepping juist in handen van de overheid/staat moet liggen, omdat geld "het bloed" is van de hele samenleving. Ook in rechtsleven, maatschappelijk en geestesleven is geld hard nodig.
Juist de overheid kan daarbij als "verdeler" optreden, zonder dat er een nieuw staatscommunisme in het leven geroepen wordt. Volgens de Amerikaanse grondwet hoort geldschepping ook een staatstaak te zijn die helaas "gekaapt" is door een handjevol sluwe bankiers (Rothschilds en c.s.).
Historisch gezien is geld ontstaan in de econmie en in het onderlinge handelsverkeer. Stabiliteit van de geldwaarde is essentieel voor de economie maar schaars of ruim geld kan wel veel invloed uitoefenen op de economische cycli.
Dat geldschepping nu ook al in handen ligt van economische krachten en partijen maakt dat deze banken alle economische macht naar zich toe kunnen trekken en juist de overheid (rechtsleven) en het maatschappelijk en geestesleven laten verkommeren of van zich afhankelijk wil maken.
Goldman Sachs (en nu ook de grote bank JP Morgan) is recent veroordeeld tot het betalen van een flinke boete voor het manipuleren en speculeren op de energie- en grondstoffenmarkt, terwijl het toch een bank is.
In een associatiev economie kan geldschepping en geldcirculatie wel in hun midden gelegd worden zolang ze gezamenlijk zorgen voor financiële en economische stabiliteit.

Verder verschilden we eerder van mening over het nut en rol van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Volgens een eerder artikel in Locomotie heeft Nijeboer grote twijfels geuit over het nut van een basisinkomen. Hij noemde het zelfs "een socialistisch luiheidsinkomen". Zelf zie ik juist meer interessante en positieve perspectieven in het realiseren daarvan. Zeer interessant is in dit opzicht een 4 jaren durend experiment in Canada in de periode 1974-1979 waar in de gemeente Dauphin in de provincie Manitoba met 10000 inwoners een onvoorwaardelijk basisinkomen is ingevoerd. Er is veel wetenschappelijk onderzoek verricht naar de effecten van deze maatregel die bijzonder gunstig waren. Inwoners gingen verrassend genoeg niet minder werken, hoewel dat wel vooraf werd verwacht. Andere bijkomende positieve effecten waren : minder ziekenhuisbezoeken, vermindering van de criminaliteit, tienerzwangerschappen en schooluitval ! Een onvoorwaardelijk basisinkomen is dus een zegen voor de maatschappij.
Inmiddels heeft Nijeboer dus een ommezwaai gemaakt en is nu wel overtuigd geraakt van het nut van een onvoorwaardelijk basisinkomen.

maandag 29 oktober 2012

Bestuurderssalarissen aan banden

Maximuminkomens worden langzaam realiteit.


We kenden al enige tijd de Balkenendenorm, waarbij het salaris van de minister-president beschouwd wordt als het hoogste inkomen in de publieke sector. Ambtenaren op ministeries zouden nooit meer mogen verdienen dan dit maximum. Dit is de eerste stap naar het invoeren van een maximuminkomen.

Inmiddels ligt er een nieuw wetsvoorstel dat de komende weken in de Eerste Kamer behandeld zal worden met de titel “Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector”(afgekort WNT met no. 32 600). Daarmee worden nieuwe normen vastgesteld voor bestuurders van de verschillende Onderwijssectoren (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo en universitair onderwijs) en ander semipublieke sectoren als woningcorporaties, ziekenhuizen en zorginstellingen. In de semipublieke sector wordt het beloningsmaximum € 225.348 voor 2012, hetzelfde als voor het Universitair onderwijs. Voor het overige onderwijs liggen die normen lager. Zo geldt voor het MBO/HBO een maximum van € 195.459 en VO € 180.346, PO € 162.210 (allemaal 2012).

Daarnaast wordt een ontslagvergoeding ook gemaximeerd tot € 75.000 en kan een bestuurder niet meer langer doorbetaald worden nadat hij zijn functie heeft neergelegd. Verder is ook de vergoeding voor interim-bestuurders beperkt. Al met al een stevig pakket maatregelen ingediend door de Tweede Kamer al in januari 2011 door de zes partijen van VVD,PvdA,CDA,SP,D66 en GroenLinks.
Mede-ondertekenaar A.Vliegenthart (SP)



Een recent onderzoek van de Algemene Onderwijsbond heeft laten zien dat een dergelijke wet hard nodig is omdat steeds vaker en steeds meer topinkomens stijgen.
Met name de situatie van Amarantis-bestuurder Bert Molenkamp is schrijnend. Hij is de best betaalde bestuurder in het onderwijs met bijna 4 ton (incl. een vertrekregeling van 2,5 ton), terwijl hij de onderwijsorganisatie Amarantis bijna naar de rand van de afgrond heeft geleid.

Helaas is het wel zo dat de nieuwe Wet nog een overgangsperiode van vier jaar kent waarbij de huidige arbeidscontracten gehandhaafd mogen blijven. Daarna mag er drie jaar worden uitgetrokken om het salaris aan te passen aan de norm.



Volgens Algemene Onderwijs bond (AOb)-voorzitter Dresscher kunnen de bestuurders de komende jaren dus nog steeds teveel publiek geld opstrijken dat eigenlijk in het onderwijs zou moeten worden gestopt.

donderdag 11 oktober 2012

SP-Boek: "Zoektocht naar vrijheid"


Dit nieuwe boek van SP ideoloog Ronald van Raak is in meerdere opzichten verrassend. Allereerst is het een verzameling columns die al eerder zijn verschenen en geen diepgaande samenhangende filosofische beschouwing over het begrip vrijheid, zoals je zou kunnen verwachten. Bovendien is het geen voor de hand liggend onderwerp voor een socialist, want dan zou je eerder een betoog over solidariteit verwachten. Het boek bespreekt een groot scala van onderwerpen die al dan niet aansluiten bij actuele gebeurtenissen. Of van Raak haalt oude denkers uit de kast zoals Siger van Brabant, Buridanus, Becanus, Coornhert, Erasmus en Hugo de Groot om te komen tot actuele standpunten. Ronald van Raak verdiept zich in de discussie rondom de vrijheid van denken die een verworvenheid zou zijn van onze ”christelijke” cultuur. Wij zetten ons daarmee af tegen de "achterlijke" moslims. Van Raak komt dan met de eerste filosoof van Nederland Siger van Brabant (1240-1281) die streed voor fundamentele vrijheid van denken en inspiratie haalde bij Aristoteles. Hij kwam echter in botsing met de katholieke kerk. Dit voorbeeld laat zien dat de christelijke cultuur zeker niet altijd voor vrijheid van denken is geweest.
Een ander voorbeeld is het uitgangspunt van de neoliberale economen dat de mens altijd rationele of redelijke keuzes maakt. Van Raak stoft dan de Nederlandse filosoof Buridanus (1295-1358) af die honderden jaren geleden al beschreef dat de juiste keuze ook afhankelijk is van de omstandigheden. Het is dus ronduit naïef om te stellen dat de mens een rationele homo-economicus is. Of als het gaat om de toekomst van Europa (federatie of politieke unie) is het de moeite waard om daar filosofen als Kant, Husserl, Finkelkraut , Novalis of vrij recent Gadamer maar weer eens op na te slaan zoals Ronald gedaan heeft. Van Raak maakt hiermee duidelijk dat een wat meer filosofische reflectie heel veel bruikbare inzichten oplevert voor actuele situaties. Niets is zo praktisch als een goede theorie zou je daarmee kunnen stellen.

De auteur geeft hiermee indirect een antwoord op een vaak gesteld persoonlijke vraag: “ Wat doet een filosoof in de politiek”. Normaal gesproken is een filosoof iemand die belangrijke vragen stelt en onderzoekt. Kortom een zoektocht naar waarheid. Van een politicus wordt echter verwacht dat hij/ zij met antwoorden komt en voorstellen agendeert. Van Raak zoekt daarin een evenwicht omdat hij een democraat is in hart en nieren en gelooft dat “het meest overtuigende verhaal uiteindelijk de meeste stemmen haalt . Dat is dus een strijd om de waarheid”. Van Raak realiseert zich echter ook dat we tegenwoordig steeds meer leven in een media-democratie, waar slogans, “framing” en persoonlijke incidenten een grote impact kunnen hebben. Zo gaat van Raak uitgebreid in op de verdraaide beeldvorming rondom progressief- conservatief en nationalistisch- kosmopolitisch.
De SP wordt weleens verweten dat het een conservatieve, nationalistische partij is die streeft naar behoud van de verzorgingsstaat en de soevereiniteit van Nederland niet wil opofferen aan Europa en de pensioenleeftijd van 65 jaar wil handhaven. Door andere partijen wordt de SP dan weggezet als ouderwetse tegenpartij. Het afbreken van de verzorgingsstaat is echter helemaal niet progressief , maar destructief en reactionair. Het brengt ons weer terug naar schrijnende situaties uit de vorige eeuw. Oorspronkelijk gaat het bij het conservatisme om “het behoud van het goede”. Niet iedere vernieuwing of verandering is nu eenmaal beter dan het bestaande. De SP heeft bijvoorbeeld ook heel wat voorstellen ingediend zoals een betere bescherming van ZZP-ers, flexwerkers en klokkenluiders. Dan wordt echter niet gezegd dat de SP heel progressief is. In het boek staat een hoofdstukje met de titel “Etiketten plakken”. Daarin wordt beschreven dat andere partijen de SP willen diskwalificeren door ze etiketten op te plakken die vooral een negatieve lading hebben, zoals eng-nationalistisch of oerconservatief . De inhoudelijke nuances vervagen dan of de inhoud verdwijnt helemaal naar de achtergrond en brengen ingewikkelde onderwerpen terug tot platte plaatjes en persoonlijke tegenstellingen. Voilà, ziedaar het beeld van de moderne media-democratie. De rechtse partijen zijn er tot nu beter in geslaagd om hiermee om te gaan en hebben de linkse partijen vaak in het defensief gedrongen. Liberalen streven naar individuele vrijheid, democratie en groei in de economie. Wie wil dat nou niet? Dat is echter geen rechts privilege, want juist de socialisten hebben voor algemeen kiesrecht gezorgd en aan de wieg gestaan van sociale wetgeving. Geen vrijheid zonder een beschermende overheid die de voorwaarden moet creëren voor een goed functionerende samenleving.

In het SP-beginselprogramma “Heel de mens” worden de drie kernwaarden beschreven van menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit als morele, leidende beginsels genoemd. Deze lijken op de drie beginselen van de Franse revolutie Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Broederschap is vervangen door het moderne woord solidariteit. Vrijheid is ingeruild voor menselijke waardigheid.
Van Raak verzorgt regelmatig een cursusdag filosofie voor SP-leden. Zelf heb ik ook een dergelijke bijeenkomst bijgewoond en toen een korte geschiedenis van de filosofie gekregen vanaf de oude Grieken en uitmondend bij de Duitse filosofen Kant en Marx. Een van mijn vragen was toen waarom het vrijheidsbegrip was weggelaten in het beginselprogramma van de SP. Dat was voor hem ook een vraag zei hij toen eerlijk. Kennelijk heeft van Raak met dit boek deze vraag willen beantwoorden. Bestaat er alleen vrijheid zoals de liberalen dat hebben geformuleerd en dat neerkomt op economische vrijheid of is er ook een socialistische visie op vrijheid ? De auteur geeft het voorbeeld van de samenhang bij landen die bestaat tussen rijkdom en vrijheid . Volgens de liberalen is dat het bewijs dat vrijheid leidt tot rijkdom. Hoe groter de vrijheid hoe groter de rijkdom ! Volgens van Raak kun je het echter ook omdraaien. Hoe groter de rijkdom hoe groter de vrijheid. Dit lijkt op het kip-ei dilemma, van wat was er eerst?? Anders gezegd is vrijheid niet het vertrekpunt zoals de liberalen nastreven, maar volgens de socialisten het eindpunt van overheidsbeleid. Als in een samenleving de overheid de juiste voorwaarden heeft gecreëerd, dan pas kunnen burgers hun vrijheid beleven en uitoefenen. Zonder rijkdom (dus in armoede) verkeer je zeker in onvrijheid en dus afhankelijkheid. Behalve over economische vrijheid gaat het dus ook over politieke vrijheid en de mogelijkheid voor burgers om mee te beslissen over de inrichting en besturing van de samenleving. Die laatste is veel belangrijker dan de keuzevrijheid voor de consument op de markt.
Volgens de visie van de maatschappelijke driegeleding zijn er drie maatschappelijke gebieden te onderscheiden waar de principes van de Franse revolutie geldig zijn. In het geestesleven de vrije mens, in het rechtsgebied de mondige mens en in de economie de behoeftige mens. Dus het gaat om meer dan alleen de vraag: "markt of overheid"? Helaas komt deze visie niet aan bod in het boek en zou van Raak zich eens moeten verdiepen in filosoof R.Steiner.
Het boek wil suggesties geven voor een nieuwe linkse kijk op individuele vrijheid en de verantwoordelijkheid van de politiek. Dat maakt het boek toch heel boeiend en inspirerend.

dinsdag 21 augustus 2012

Europese Onderwijspolitiek

Europa en het Hoger Onderwijs.

Zo luidt de titel van een nieuw boekje en zesde deel uit de reeks “Europa in de praktijk” en uitgegeven voorjaar 2012 door Comité Ander Europa.

Europese bemoeienis
In eerste instantie zou je misschien denken dat het hoger onderwijs (hoger beroeps- en universitair onderwijs samen) een nationale aangelegenheid is waar Europa buiten staat. Niets is echter minder waar.
Al in 2000 tijdens een bijeenkomst van Europese regeringsleiders in Lissabon werd als doelstelling voor 2010 geformuleerd dat ”Europa de meest competitieve en dynamische kenniseconomie van de wereld moest zijn”. Daarvoor was een hervormingsprogramma(zogenaamde modernisering) nodig van stelsels van sociale zekerheid en onderwijs! Daarvoor had de Europese Commissie al een Memorandum geschreven in 1991 over het Hoger Onderwijs. Hierin kwam de wens van liberale partijen en werkgevers naar voren dat men behoefte had aan hoog opgeleide werknemers die in de hele EU konden worden ingezet of vanuit de hele EU konden worden geworven. Dat betekende wel dat de opleidingen dan min of meer uniform moesten worden.

Het voorwerk is al jaren daarvoor gedaan door de European Round Table of Industrialist (ERT), Europees grootste bedrijfslobbyorganisatie en opgericht in 1983 waar ook Nederlandse multinationals als Philips en Shell in participeren.
De werkgroep onderwijs van deze ERT werd in 1999 opgeheven ten teken dat de doelstellingen gerealiseerd waren. Het proces van marktwerking was definitief in gang gezet. De voorlopige afronding kwam met het akkoord van Bologna, Italië in 1999. Toen ondertekenden 29 ministers van Onderwijs uit de EU-landen een verklaring. Dit was eigenlijk slechts een intentieverklaring en geen wet of bindend verdrag. Toch was het een belangrijke stap die leidde tot een harmonisatie van het onderwijs in Europa. De nobele bedoeling was een betere vergelijking van de waarde van diploma’s uitgegeven aan Europese hogere onderwijsinstellingen. Sinds die tijd kennen we een gemeenschappelijk studiepuntensysteem namelijk het European Credit Transfer System(ects) en ook de gemeenschappelijke titels van master(universitair) en bachelor(hoger beroepsonderwijs). Hiermee is de deur opengezet voor een toenemende internationale concurrentie tussen Europese onderwijsinstellingen. Helaas niet met als inzet een betere kwaliteit, maar welgoedkoper en efficiënter onderwijs. Voor een effectieve marktwerking (en concurrentie) is het nodig dat het onderwijs steeds meer eenduidige en onderling vergelijkbare “onderwijsproducten” oplevert. Kant-en-Klare brokjes kennis of vaardigheden, liefst ook in het Engels (de voertaal van het internationale bedrijfsleven). Het zou de mobiliteit van studenten in Europa moeten bevorderen hetgeen ook gebeurd is. Het zijn stappen op weg naar zogenaamde Leerfabrieken.

Liberalisering en commercialisering van Hoger Onderwijs
De economie of het bedrijfsleven wil steeds meer invloed uitoefenen op het onderwijs zodat afgestudeerden beter en sneller inzetbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Zij willen ook meer invloed uitoefenen op de inhoud van het curriculum via Raden van Advies. In Raden van Bestuur en Raden van Commissarissen zitten ook steeds meer ondernemers en magers die het onderwijs runnen als een bedrijf met winstdoelstellingen. Er zijn ook steeds meer door het bedrijfsleven betaalde bijzondere leerstoelen voor hoogleraren en ook door bedrijfsleven betaald onderzoek. In 1995 was de bijdrage van het bedrijfsleven aan het onderwijs gestegen € 400 naar € 1100 miljoen in 2009. In dezelfde periode steeg de bijdrage van studenten van € 500 tot € 1700 miljoen. Tegelijkertijd nam de procentuele bijdrage van de overheid aan het onderwijs al jarenlang af. Onderwijs dient dus niet meer de persoonlijke ontwikkeling en vorming van individuen. De economie, de heilige koe in de samenleving, wil alleen beroepsvorming en nut voor de arbeidsmarkt in plaats van hun betekenis voor de samenleving in de toekomst.

De afgelopen jaren hebben we in Nederland ook meerdere excessen in het Hoger onderwijs mee kunnen maken. Van subsidiefraude (ingeschreven studenten die niet bestonden),diplomafraude(onterecht afgegeven diploma’s) tot extreem hoge salarissen en bonussen bij Colleges van Bestuur (ver boven Balkenendenorm) en vooral bij megagrote scholen, geleid door voormalig ondernemers zoals Hogeschool InHolland.
De enorme schaalvergroting en bureaucratisering hebben de kwaliteit van het Hoger Onderwijs aangetast. Zelf heb ik ruim 25 jaar gewerkt als docent in het Universitair en Hoger Onderwijs en de schaalvergroting en de enorme onderwijsextensivering (minder lessen en contacturen) van nabij meegemaakt.

Recente Ontwikkelingen
Inmiddels gaan er stemmen op om ook centraal landelijke examens in te gaan voeren in het Hoger onderwijs, vergelijkbaar met de middelbare scholen. Zogenaamd bedoeld om de kwaliteit te meten en te waarborgen maar ongemerkt leidt het tot uniformering en verschraling van het onderwijs. Hoezo vrijheid van onderwijs? Steeds meer politici willen snijden in het aantal opleidingen die niet voorbereiden op de arbeidsmarkt zoals cultuur-, zorg-, onderwijssector en geesteswetenschappen. Ook wil men dat studenten meer zelf gaan betalen voor hun studie en ook dat leidt tot vermindering van diversiteit in het onderwijs. Studierendementen (slaagpercentages) zijn de belangrijkste criteria voor overheidsfinanciering maar zijn geen maat voor de kwaliteit van het onderwijs.
Feitelijk is er de afgelopen tien jaar steeds minder geld naar het hoger onderwijs gegaan terwijl de studentenaantallen toenamen. Dat leidde verhoudingsgewijs tot minder onderwijspersoneel, minder lessen en grotere onderwijsgroepen(massacolleges). Dit kleine handzame boekje van zo’n 40 bladzijden geeft een schat aan informatie en zet je ook heel duidelijk zelf aan het nadenken. Een aanrader dus.

donderdag 1 december 2011

Het Land is Moe

Onderstaand artikel is, in ingekorte versie, ook verschenen in het tijdschrift Driegonaal Jaargang 32, nummer 5/6, maart 2013




“Het Land is moe” van Tony Judt.
Een boekbespreking


De oorspronkelijke titel luidde “Ill fares the land” en verscheen begin 2010, hetzelfde jaar waarin de Britse eminente historicus Tony Judt ook overleed.
De eerste Nederlandse vertaling verscheen al in mei 2010 en beleefde zijn 10e druk in juli 2011. Kennelijk is er een zeer grote belangstelling voor de oorzaken van de huidige financiële en economische crises, uitmondend in verontwaardiging zoals eerder bij de andersglobalisten- en recent bij de Occupybeweging.
Felix Rottenberg schreef als aanbeveling “het is een voortreffelijk pleidooi” voor een eerherstel van de sociaaldemocratie!

Judt was docent aan de universiteiten van Cambridge, Oxford, Berkeley en New York. Verder was hij ook publicist voor o.a. de New York Times Review of Books en de New York Times.
Met een historische precisie beschrijft Judt de politiek-economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de Westerse wereld vanaf de Tweede Wereldoorlog.
Het boekje telt maar 8 hoofdstukken en beslaat 235 bladzijden.

Als titel van de inleiding heeft hij gekozen voor een duidelijk statement: “Een gids voor de verbijsterden”. Dat is het boek inderdaad ten voeten uit. Hij opent met de zin:”Er is iets fundamenteels mis met de manier waarop wij vandaag de dag leven. Dertig jaar lang hebben we de jacht op materieel eigenbelang( kern van het neoliberalisme) als een deugd beschouwd. We weten heel goed wat dingen kosten, maar niet meer wat ze waard zijn”.
De laatste decennia kunnen gekenschetst worden als :
1) Een kritiekloze bewondering voor de onbegrensde vrije markt,
2) minachting voor de publieke sector en
3) het waandenkbeeld van de onbeperkte groei.



De historicus heeft het boek opgedragen aan jongeren aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, de zogenaamde "Lost Generation" zonder idealen. Hij probeert met name de jongeren in de VS en GB duidelijk te maken dat een sterke overheid onze vrijheden niet aantast, maar juist versterkt!

Het is heel moedig van deze Brit om tegen de verwachting in te kiezen voor het West-Europese vasteland met een sterke sociaaldemocratische traditie en een krachtige verzorgingsstaat. Hij zet zich daarmee expliciet af tegen het Angelsaksische neoliberalisme.
In het eerste hoofdstuk gaat Judt dieper in op individueel rijkdom enerzijds en collectieve armoede anderzijds. Hij gebruikt met name de studie van Wilkinson en Pickett om duidelijk te maken dat een kleine inkomensongelijkheid in een samenleving grote maatschappelijke voordelen heeft . Deze studie is eerder op deze website verschenen. Zie http://solidaire-economie.blogspot.com/2010/12/inkomensongelijkheid-en-welzijn.html
Bijzonder is dat juist PvdA-leider Job Cohen in zijn Kerdijklezing (nov. 2011) deze studie benadrukt en er ook de inzichten van Nobelprijswinnaar en econoom Jan Tinbergen aan koppelt. Tinbergen wees in meerdere studies tot in de jaren 70 van de vorige eeuw op het belang van een kleine inkomensongelijkheid. We spreken daarom tegenwoordig over de zogenaamde Tinbergennorm.

Een van de beste stukken in het boek vind ik persoonlijk hoofdstuk III met de prachtige titel “De ondraaglijke lichtheid van de politiek”.
Daarin beschrijft hij uitgebreid en kritisch de gevolgen van de privatiseringen in GB onder Thatcher en later ook Blair. Het ging niet om een principiëel kleinere of minder sterke rol van de overheid, want juist de controle via repressieve en informatieverzamelende taken van de overheid zijn in deze periode enorm toegenomen. Wel hebben banken en financiële instellingen bijna volledige vrijheid gekregen om te handelen naar eigen inzicht met alle gevolgen van dien.
In een subhoofdstuk “De wraak van de Oostenrijkers” beschrijft hij een aantal ideologen van het neoliberalisme die volgens Judt allemaal Oostenrijkse wortels (Von Mises, Hayek, Schumpeter, Popper en Drucker) hebben, maar juist in de VS en GB succesvol waren.
Judt vergeet daarbij wel Ayn Rand (inspirator van o.a. Milton Friedman en FED-directeur Alan Greenspan) die uit Rusland afkomstig was.

De gevolgen van de privatisering, door Judt cynisch “Privatiseringscultus”genoemd, zijn enorm geweest omdat verlieslijdende overheidsbedrijven tegen veel te lage prijzen werden verkocht aan private partijen en waardoor de samenleving als geheel veel schade heeft geleden. De auteur noemt het cijfer van ₤14 miljard dat zo overgedragen is naar investeerders of aandeelhouders. Bovendien leverde het niet de te verwachten kostenvoordelen en prijsverlagingen op waarop gehoopt was. Integendeel. De spoorwegen, kolenmijnen, energiebedrijven, ziekenhuizen, scholen, posterijen en gevangenissen zijn grotendeels overgedragen aan particuliere investeerders.
Als deze sectoren later verlies maken moet de overheid toch weer bijspringen. Vervoers-, gezondheids- en veiligheidstaken (groot collectief belang) kunnen niet zomaar verdwijnen of failliet gaan. Illustratief is dat British Rail in het laatste jaar dat het in staatshanden was ₤950 miljoen kostte voor de balstingbetaler. In 2008 na een gedeeltelijke privatisering waren de kosten opgelopen naar ₤5 miljard !
De Senaat( Eerste Kamer) in Nederland gaat juist nu voor het eerst in de geschiedenis een parlementair onderzoek uitvoeren naar de gevolgen van de privatisering in Nederland.
Een commissie onder leiding van prof. R.Kuiper(CU) gaat samen met A.Vliegenthart(SP),G.ter Horst(PvdA) en M.Vos(GL) aan de slag en per email heb ik deze senatoren gewezen op dit boek van Judt en het betreffende hoofdstuk.
Zo kunnen ze voordeel putten uit de lessen die in GB zijn opgedaan.

Judt eindigt zijn boek met een uitspraak van Karl Marx. “Filosofen moeten de wereld niet alleen proberen te begrijpen en te interpreteren, maar het gaat er vooral om deze te veranderen! Niet via revolutie of chaos, maar via het uitbouwen van de sociaaldemocratie.

Dit boek is een aanrader voor alle politici en past in het boekenrijtje “Kapitalisme zonder remmen” van Maarten van Rossem en “De utopie van het marktfundamentalisme” van Hans Achterhuis die beide op dit weblog zijn besproken.

maandag 3 oktober 2011

2012 als Jubeljaar



Schulden en Volkswoede.

De VS heeft momenteel een overheidsschuld van zo’n 15 biljoen dollar (dat is 15 aangevuld met 12 nullen!) . Dat is een gigantisch bedrag waar wij ons bijna geen voorstelling van kunnen maken. Toch is het maar een fractie van de 200 biljoen dollar in handen van financiële instellingen dat wereldwijd op zoek is naar geschikte beleggingen (bron Willem Middelkoop in de Telegraaf van 16 Sept.).
Burgers hebben hypotheekschulden, bedrijven hebben schulden en nu hebben ook overheden enorme staatsschulden. Aan wie moeten deze schulden afgelost worden? Juist, aan banken en andere financiële instellingen.

De meeste bankinstellingen zijn echter geen overheids- maar private (op winst gerichte ) instellingen. Geldschepping is in handen gelegd van private bankiers die de vrijheid hebben om geld te creëren uit het niets.
De hamvraag is echter “Is geldschepping geen overheidstaak?” Geld is de smeerolie van de maatschappij en zelfs K. Marx was er heel duidelijk over. Geldschepping is een overheidstaak! In de VS waar Marx bepaald niet populair is, heeft men echter hetzelfde inzicht. In de Grondwet uit 1787 is officieel vastgelegd dat geldschepping een overheidstaak is. Toch hebben een groepje bankiers in de VS het voor elkaar gekregen om de senaat de Federal Reserve Act te laten ondertekenen op 23 december 1913 (nèt voor het kerstreces!). Daardoor is de Fed , lees de Centrale Bank van de VS, een private onderneming geworden met een aantal private banken als aandeelhouders !
De VS heeft daarmee het voorbeeld gevolgd van de Franse Centrale Bank, die in 1716 is opgericht door bankier John Law met steun van Zonnekoning Louis XIV en in eerste instantie Banque Generale Privée heette.
Feitelijk is deze situatie in strijd met de Amerikaanse grondwet maar bestaat tot op de dag van vandaag .Eigenlijk zou een klacht ingediend moeten worden bij het Amerikaanse Hooggerechtshof.
Hetzelfde geldt voor de Bank of International Settlements (de overkoepelende organisatie van Centrale Banken) gevestigd in Basel (bron “Een menselijke economie” van oud-bankier Ad Broere).
Banken kunnen dus ongelimiteerd geld (=papier) drukken en iedereen opzadelen met schulden zoals nu ook het geval is.

Bijzonder zijn daarom de huidige protesten in een aantal grote steden in de VS en met name New York. Als groep zonder formele organisatie treden ze naar buiten met de slogan “Occupy Wall Street”. Ze zijn geïnspireerd door de volksopstanden in een aantal Arabische landen waaronder de bezetting van het Tahrirplein in Cairo.
De grote groep demonstranten wordt echter keihard aangepakt door de politie maar blijft volharden in haar protest. Het afgelopen weekend werden 700 betogers opgepakt op de Brooklyn Bridge in de nabijheid van het financiële centrum. Ze zijn inmiddels weer vrijgelaten maar moesten een boete betalen voor ordeverstoring.
De demonstranten hebben ook bezit genomen van het Zuccotti Park ( voor 2006 het Liberty Plaza park geheten) en er de tenten opgeslagen. Ze hebben zelfs het voornemen om daar de komende winter door te brengen.

Het is een moedige daad van teleurgestelde burgers die inzien dat de overheid en de banken niet opkomen voor het algemeen belang en dus vragen ze om veranderingen. Zo eisten de betogers het afgelopen weekend de arrestatie van Ben Bernanke, de voorzitter van de Fed. Ook in andere steden zijn er protesten zoals in Chicago, San Francisco en Washington. In Bosten bezetten 3000 betogers een vestiging van de Bank of America in Boston.
De maat lijkt vol. Is dit het begin van een Amerikaanse Revolutie?

Ad Broere suggereerde op zijn blog ook 2012 uit te roepen als Jubeljaar, waarbij in een klap alle schulden worden kwijtgescholden. Zie http://adbroere.nl/web/nl/artikelen/tweehonderd-duizend-miljard-rondklotsend-geld...php
Het jubeljaar, stamt uit een hele oude traditie met uitlopers tot in het Jodendom en de RK-kerk en wordt eens in de 50 jaar “gevierd”. Het doel van het oorspronkelijke jubeljaar is om al het land aan de rechtmatige eigenaar terug te geven.Alle bezittingen keren dan terug naar de oorspronkelijke eigenaars. Land mocht namelijk niet voor altijd verkocht worden ! Het idee hierachter was dat op deze manier blijvende verarming werd voorkomen (bron: Wikipedia).
Als we dat nu doen voor alle schulden dan kunnen we weer met een schone lei beginnen en zijn we in een klap van de private banken verlost.